Zesjes en hengsten

Als kind was mijn grote passie, paarden! Je zou het nu niet meer zeggen, maar ik was werkelijk zo’n zuurstokroze paardenmeisje, inclusief vlechten, geabonneerd op het tijdschrift Penny met van die gratis paardenposters in het midden, waar dan meestal precies in het oog of de neus van het paard een nietje zat.
Iedere vrije minuut zat ik tussen de paarden. En als er even fysiek geen echt paard voor handen was dan fantaseerde ik er lustig op los.
In mijn favoriete fantasie, toen ik een jaar of twaalf was, kwam er een wilde hengst op een doordeweekse schooldag het plein op galopperen. Iedereen was in paniek, maar ik niet natuurlijk. Koelbloedig en daadkrachtig sprong ik door het klaslokaal, over de tafels, door het raam. Ik rende op de hengst af, sprong met een zwierige zwaai op zijn rug (in werkelijkheid was ik helaas dé hork van het gymnastieklokaal) en ik wist het dier met een paar geruststellende woorden tot bedaren te brengen. En natuurlijk was de band tussen mij en de hengst was vanaf dat moment tot in de eeuwigheid beklonken. We zouden altijd samen zijn. Ik en mijn hengst.
Docenten, klasgenoten en voorbijgangers stonden massaal te applaudisseren langs de kant. Ik was een held én ik had de liefde van m’n leven gevonden.

Op de middelbare school schreef ik een opstel over het springpaard Jappeloup de Luze, waarmee de springruiter Pierre Durand in 1988 in Seoul een gouden medaille won. Op die leeftijd was schrijven al iets wat ik graag deed, maar uitsluitend in ‘t geheim. Niemand mocht het lezen. Het opstel was de première. Bloedspannend vond ik het.
Het werd, zo constateer ik achteraf, een soort kinderversie van de bouquetreeks waarbij de rol van de onweerstaanbaar aantrekkelijke dokter werd vervangen door de hengst Jappeloup. Ik kreeg slechts een zes. Traumatisch was dat! Voor het eerst gaf ik mijn geschreven fantasie prijs aan de buitenwereld….en dan krijg je maar een zes!

Het schrijfpapier ging de kast in, ik werd ouder en de puberteit duurde voort. En met het groeien van de hormonen maakte mijn liefde voor paarden plaats voor de pukkelige jonge hengsten uit mijn klas. Paardenposters werden vervangen door popidolen. En zo ontstond een heel andere passie…

Inmiddels ben ik veertig en de in de kiem gesmoorde schrijfpassie heeft zijn weg naar buiten toch gevonden. De mierzoete puber in mij bleek gelukkig slechts een tijdelijke oprisping als gevolg van geklutste hormonen en een onderontwikkelde pre frontale hersenkwab.

Maar of u deze stukjes nou steengoed vindt, dramatisch slecht, of alles daartussenin; geef me geen zes!

Advertenties

Gerrit

Gerrit Komrij is dood. Ik had graag de piano van Gerrit Komrij eens gestemd. Al heb ik geen idee of de beste man een piano bezat. Maar dat doet er helemaal niet toe. De reden dat ik zijn piano zou willen stemmen heeft dan ook helemaal niets met muziek te maken, en zelfs niet met piano’s. Nee, het stemmen van zijn instrument zou slechts een inleiding zijn voor dat wat ik werkelijk kom doen. Ik zou hem willen horen praten over boeken, over schrijven, over dichten, over taal en over poëzie. En ik zou willen dat ie dan uitweidt over de mensen, over het leven, over vroeger en over nu. Dan zou ik, met een werkeloze stemhamer in mijn hand, zwijgend aan zijn lippen hangen.
Misschien zou ik hem dan vragen om een gedicht voor te dragen. Zijn slepende stem, vol cynisme, herkenbaar uit duizenden, rechtstreeks mijn oren in.  Dat zou ik best eens willen.
Maar helaas, met of zonder piano, Gerrit Komrij is niet meer.
Ach, en nu ik er nog eens goed over nadenk is het maar beter zo. Een klant in Portugal…daar moet geld bij!

Koffie, piano’s en de multicuturele samenleving

Nou wil ik niet zeggen dat ik pianostemmer geworden ben omdat je dan bij al die adressen waar je komt koffie krijgt….maar ’t is wel een prettige bijkomstigheid.
Nou ja, vroeger was dat een prettige bijkomstigheid. Tegenwoordig valt dat vies tegen!
En het is niet dat de piano-eigenaren me geen koffie meer geven hoor. Wat dat betreft zit het met de gastvrijheid nog wel goed in pianospelend Nederland. Nee, het is de soort koffie die tegenwoordig roet in ’t eten gooit.
Daar waar je vroeger, op vrijwel elk adres, standaard een overheerlijk kopje vers gezette koffie voorgeschoteld kreeg, daar krijg je tegenwoordig vaak een slappe, altijd gelijksmakende maar nooit naar koffie smakende, standaardbak Senseo-slootwater.
En men noemt het gewoon steevast, koffie. Onbegrijpelijk! En niet te zuipen!

Dus de hoogtijdagen zijn, wat koffie betreft, voor de pianostemmer wel voorbij.
Dit alles komt de stemming natuurlijk niet ten goede. Maar dat hebben die pianospelende-Senseo-slootwater-klanten allemaal niet in de gaten. Ze denken: ‘Als we die stemmer maar zo snel mogelijk de deur weer uitwerken dan kunnen we er weer een half jaar tegen’.
Nou, zo zit de pianostemvork niet in de steel beste pianobezitters! Wij stemmers zijn ook maar mensen! Ook wij hebben gevoel! Ook wij hebben liefde, aandacht en dus echte koffie nodig!

En nou krijgt tegenwoordig de multiculturele samenleving overal de schuld van, maar daar komen de Senso-bezitters echt niet mee weg dit keer! De allochtonen lusten die Senseo ook heus niet. Dit is gewoon onze eigen oer-Hollandse schuld. Een op en top Nederlandse kruisbestuiving tussen Philips en Douwe Egberts….Hollandser kan niet.

Los van de koffie is het overigens met de gastvrijheid van de allochtone pianobezitter ook een stuk beter gesteld dan met die van de autochtone. Want bij de allochtone pianobezitter krijg je veel meer koekjes!

De callcentertest

Toen ik net begon als zelfstandig ondernemer waren mijn inkomsten net genoeg voor een droge boterham. En omdat ik van lekker eten houd leek het me verstandig om een bijbaantje te zoeken waarvan ik dan een beetje beleg zou kunnen kopen om die droge boterham mee te beleggen.
Na enig speurwerk kom je in zo’n situatie al snel terecht in de wereld van de callcentra.
En dus meldde ik me aan bij een uitzendbureau.

Na het invullen van mijn gegevens en een intake gesprek met een uitzendbureaumevrouw mocht ik een test doen. Ik kreeg wat meerkeuzevragen over hoe ik dacht te reageren als een klant met een moeilijke vraag komt en verder werd de typesnelheid en de snelheid waarmee ik gegevens kon verwerken getest.
Na deze test, waarop ik volgens de uitzendbureaumevrouw uitstekend had gescoord, hebben we een telefonisch rollenspel gedaan. De uitzendbureaumevrouw deed of ze klant was, ik deed of ik de telefoniste was.
Zelfverzekerd ging ik van start. Want nou weet ik toevallig dat ik erg goed ben in telefonisch contact. Ik weet de hardst mopperende klant nog gelukkig te stemmen, hysterisch doorgedraaide bellers krijg ik binnen no-time weer rustig en een klant in crisis kan, als ie mij aan de lijn krijgt, verzekerd zijn van een oplossing!
Maar helaas, de uitzendbureaumevrouw was niet tevreden! Ik moet me toch echt meer aan het ‘protocol’ houden. Het moet volgens ‘het boekje’…..het callcenterboekje!
En dus moet ik alles samenvatten wat de klant zegt. Hardop, tegen de klant. Alsof het een kleuter is. Dus als de klant vraagt: “Ik wil graag informatie over de zorgtoeslag”. Dan moet ik zeggen: “Dus u wilt graag informatie over de zorgtoeslag?”.  En als de klant vraagt: “Volgens mij klopt er van mijn huurtoeslag helemaal niks”. Dan hoor ik te zeggen: “Dus u heeft het gevoel dat uw huurtoeslag niet klopt?”.  En zo waren er nog wat regels waar je de broek van afzakt.

Nou ken ik dat soort telefonistes wel, ik heb ze zelf ook met enige regelmaat aan de lijn. Dan wil ik ze ’t liefst door de telefoon trekken, door elkaar schudden en hun robothersenen ervan doordringen dat ik niet achterlijk ben en dat ik alleen maar ANTWOORD OP MIJN VRAAG wil en geen opsomming uit een protocol!
Nu begrijp ik eindelijk hoe het zit. Die lieve dames en heren bij de belastingdienst, de energiemaatschappijen, internetproviders, telecombedrijven, zorgverzekeraar, enzovoort, kunnen er ook niets aan doen. Ze worden gewoon gedwongen! Gedwongen door het protocol van de uitzendbureaumevrouw!

Ik heb de uitzendbureaumevrouw dus maar even haarfijn uitgelegd dat ik deze hele procedure geen goede zaak vind. En dat ik daarom afzie van de verdere sollicitatieprocedure. De uitzendbureaumevrouw stond even met haar mond vol tanden en zei toen: “Dat vind ik wel sterk van u”. Waarop ik haar adviseerde om hetzelfde te doen. Stop ermee, uitzendbureaumevrouw! Wees ook sterk! Verbeter de callcetra in Nederland en begin bij uzelf! Stop! In Gods naam, stop!
Maar ik denk niet dat ze dat heeft gedaan…..

Die nacht, in mijn bed, realiseerde ik me dat mijn kans op een bijbaan hierdoor wel een stuk beperkter was geworden. Maar de angst voor weinig geld was op dat moment minder beangstigend dan de angst voor het callcenterprotocol.